De vertaler als zeurpiet
Presentatie van Tirades ‘vertalersnummer’, donderdagmiddag in Rotterdam, tijdens Poetry, op een behoorlijk wereldse locatie: de tuin van café Floor, naast de Stadsschouwburg, een boomloos binnenhof omringd door vijf verdiepingen nieuwbouw. Toch is het er opmerkelijk gezellig, iets waaraan de hoge vertalersdichtheid en de royaal verstrekte consumptiebonnen niet vreemd zijn.
Tirade-redacteur Jeroen van Kan typeert het nummer, een brede schriftelijke enquête, als een ‘schuttersstuk’, een zelfportret van vertalend Nederland (inderdaad, maar één Vlaming onder de respondenten, de overigens zeer lezenswaardige Mysjkin). Waarbij opvalt dat de veelbesproken vergrijzing in de beroepsgroep door de medewerkers aan het nummer niet wordt gelogenstraft. Verrassend is dat nauwelijks, zelfselectie (wel of niet meewerken aan een vertalersnummer) en zelfreflectie (wel of niet nadenken over vertalen) gaan in zo’n context hand in hand, en alleen wie ervaring heeft voelt zich geautoriseerd om het woord te nemen. Op de presentatie lijk ik met mijn vijftig jaar en grijze haar nog tot de jeugdiger vakgenoten te behoren. Nee, dan de jongelui van Tirade, duidelijk een andere generatie, met hun uitstraling van onbevangenheid en overmoed, misschien ook van licht ongemak tegenover de ouwe lullen van het vertalersgilde – maar die middag in Rotterdam blijft de stemming in majeur.
Dat uitsluitend ervaren vertalers het woord nemen in dit tableau de la troupe, komt tot uitdrukking in de opmerkelijke eensluidendheid van de bijdragen. Nergens wordt de titel van het tijdschrift eer aangedaan. Je zou bijna gaan denken dat er überhaupt weinig stof tot debat is in de vertalerij, dat we het allemaal eens zijn over wat goed vertalen is. Dat betwijfel ik, maar tegelijk juich ik het toe dat sommige clichés definitief tot het verleden lijken te behoren, bijvoorbeeld het cliché van de ‘onvertaalbaarheid’. Geen van de Tirade-vertalers onderschrijft expliciet dat principe, en de te verwachten klaagzangen op het thema zelfverloochening en zelfvernedering blijven goddank achterwege.
Wat verder opvalt in de bijdragen aan de vertalersenquête: de frequentie van het aantal vertalers dat preventieve zelfcensuur pleegt en met interessante titels niet durft aan te kloppen bij een uitgever. En ook: het relatieve stilzwijgen over het probleem van de zichtbaarheid en onzichtbaarheid van vertalers en vertalingen. Jeroen van Kan stipt de kwestie aan bij de presentatie van het nummer: de kwaliteit van een vertaling is onzichtbaar omdat ‘alleen fouten de aandacht trekken’.
Interessant in dit verband is de korte bespreking van het nummer door Arjan Peters (VK, 29-06-09), en dat zeg ik natuurlijk ook omdat Peters mij een ereplaats gunt: ‘‘‘Alle goede vertalers worden onderschat,” zegt Rokus Hofstede, die zich ongetwijfeld een goede vertaler (Frans) acht […]. Waarmee het vooroordeel weer bevestigd dreigt te worden, dat het aantal zeurpieten in de literaire wereld onder twee groepen is oververtegenwoordigd: kinderboekenschrijvers en vertalers. Maar Hofstede’s oprisping is een schrille dissonant in deze aflevering, die een hartverwarmend pleidooi is voor het nobele vertalersambacht. Dat je er hard voor moet werken, en weinig erkenning voor krijgt, is tenslotte bijna ieders lot. En een goede vertaler hóórt onzichtbaar te blijven.’ Paradoxaal genoeg zijn Peters en ik het roerend eens: goede vertalers horen onzichtbaar te blijven (en dat is, voeg ik toe, waarom ze worden onderschat). Peters verwart echter de gewenste tekstuele onzichtbaarheid van vertalers met de jammerlijke maatschappelijke onzichtbaarheid die daarvan het gevolg is, en legitimeert zo de alomtegenwoordige veronachtzaming van hun creatieve bijdrage. Daar staat tegenover dat uit zijn bespreking een paar fraaie aanvullingen op Flauberts Woordenboek van pasklare ideeën te distilleren zijn: ‘Vertalers: zeurpieten; horen onzichtbaar te blijven.’ ‘Dissonant: altijd “schril”’…
In Rotterdam laat ik die avond de uitreiking van de Brockway Prize (aan Jan Mysjkin en zijn collega Pierre Gallissaires) en andere voor vertalers interessante programma-onderdelen voor wat ze zijn: er rijden geen nachttreinen naar Gent.
Rokus Hofstede
Beste Rokus, er waren op zijn minst twee Vlamingen onder de respondenten, of als je precies wilt zijn: twee Nederlandstalige Belgen, want ik kom uit Belgisch Limburg. (Anders dan de Tirade-redactie aangeeft is Theo Kars trouwens niet de enige respondent die romans schrijft. In 1998 heb ik bij de Arbeiderspers gedebuteerd met een roman waarvan inmiddels 666 exemplaren zijn verkocht!)
Ook ben ik het niet eens met de stelling dat vertalers per se onzichtbaar moeten zijn. Voor vertalers van makkelijk begrijpelijke hedendaagse werken gaat dit misschien op, maar als ik Ivan Morris’ Engelse vertaling van Sei Shonagons HOOFDKUSSENBOEK lees, schuilt een groot gedeelte van het plezier in de onontbeerlijke voetnoten, die met typisch Morrisachtige flair zijn geschreven.
Jos, ik ben blij dat ik me vergiste in het aandeel der Belgen! Wat die onzichtbaarheid betreft, daarover valt vast veel meer te zeggen; opvallend is wel dat je als voorbeeld van vertalerszichtbaarheid de voetnoten van Ivan Morris noemt, oftewel een plaats waar de vertaler juist in de hoedanigheid van auteur het woord neemt. Met ‘gewenste tekstuele onzichtbaarheid’ doelde ik op de dienstbaarheid van de vertaler aan de tekst, een axioma dat me vereist lijkt om van vertaling te kunnen spreken. Dat is waarschijnlijk wat Arjan Peters in gedachten had, en daarin kan ik hem alleen maar gelijk geven. Welke gedaantes die ‘dienstbaarheid’ vervolgens aanneemt, in de tekst of daarbuiten, is een andere zaak.
p.s. 666, het getal van het Beest!
Misschien zoiets: een goede vertaler bouwt direct zo veel krediet op bij de lezer, dat ook zijn gewaagdste keuzes onzichtbaar zijn (dwz door de lezer als onvervreemdbaar onderdeel van het boek worden ervaren, en dus als keuzes van de auteur). Je ziet ze pas als je de vertaling met het origineel gaat vergelijken – of beter nog, met andere vertalingen van dezelfde tekst.
Reactie van Martin, June 26, 2009 @ 11:14 am
Met jullie opmerkingen over de vertaler die zich wegcijfert ben ik het helemaal eens. In het vertalersnummer heb ik Frans Kellendonk geprezen. Zijn versie van Wuthering Heights wekt de illusie dat Emily Brontë zelf aan het woord is. Een gelijkaardige indruk kreeg ik in de Ulysses van Paul Claes en Mon Nys. Tot mijn blijdschap hadden deze vertalers precies de goede equivalenten gevonden voor de vele tientallen registers in het boek. Ik dacht geen moment dat ik ‘maar’ een vertaling las. Blij verwonderd stelde ik vast dat het verhaal dichterbij kwam dan ooit, omdat het Nederlands met directere kracht op mij inwerkte dan Joyce’s Engels. (Ik heb wel eens horen mopperen dat er te veel Vlaams in die Ulysses zit, maar de critici zeggen er gewoonlijk bij dat dat mag, omdat in de brontekst de toonval van Dublin doorklinkt.)
Van iedere vertaler mag je verwachten dat hij in de huid van de oorspronkelijke auteur kruipt. Maar wat als zo’n auteur duizend of tweeduizend jaar geleden leefde? Stel dat je de latijnse klassieken wilt gaan lezen. Het zal duidelijk zijn dat een Nederlandse Ovidius een heel ander beestje is dan het latijnse origineel. Klanken verdwijnen, nuances gaan verloren. Toch heb ik onlangs groot plezier beleefd aan de Metamorphosen van M. D’Hane-Scheltema. Ik had al eerder geprobeerd Ovidius te lezen, in een Engelse proza-vertaling, maar ik kwam er niet doorheen, de tekst sprankelde niet. De vertaling van M. D’Hane-Scheltema, daarentegen, was zo levendig en zo aardig dat ik dolgraag méér klassieken ‘van haar hand’ zou lezen. Nu hoef ik D’Hane-Scheltema’s vertalingen van Vergilius of Homerus maar naast die van haar collega’s te leggen om vast te stellen dat zij opvallend modern is. Sommige lezers zullen het bijwijlen informele toontje appreciëren, anderen wellicht niet. Hoe dan ook, ik kan mij indenken dat veel lezers met verlangen uitzien naar nieuwe vertalingen van haar hand, omdat haar stijl hun zo bevalt.
Iets gelijkaardigs valt er te zeggen over het klassieke Japanse proza. Wie Japanse verhalen wil vertalen uit de bloeiperiode van het keizerlijk hof (tiende en elfde eeuw na Christus), moet de oorspronkelijke vertellers laten spreken met aanvaardbare stemmen. De uitvoerige beleefdheidsvormen in het elfde-eeuwse Verhaal van Genji zouden vreselijk gemaakt overkomen in het Nederlands. Als vertaler kun je Japanse hofdames gerust beleefd laten klinken, maar toch zeker niet bombastisch (tenzij de schrijfster het zo heeft bedoeld). In het Engelse taalgebied zijn haast alle vertalingen uit deze periode van de hand van academici. Vele professoren hebben helaas ‘geen stijl’; zij geven botweg de inhoud van de tekst weer, maar als lezer snak je naar een verteller met meer persoonlijkheid. Bij Ivan Morris weet je in alle geval dat je goed zit. Niet alleen zijn voetnoten zijn met brio geschreven, ook de tekst van zijn Hoofdkussenboek bruist van leven. Je kunt je haast niet voorstellen dat Morris’ overige vertalingen niet deugen. En inderdaad: ook Morris’ versie van het Sarashina-dagboek (uit de elfde eeuw) is een juweeltje; opnieuw slaagt hij erin een hofdame uit een lang vervlogen tijd een overtuigende Engelse stem te geven. Je leest zulke vertalingen niet enkel omdat de originele Japanse tekst schitterend is, ook omdat het meesterschap van de vertaler er in doorklinkt.
N.B. Ik wil niet beweren dat Morris’ kijk op de Japanse klassieken de enige mogelijke is. In 2006 heeft Meredith McKinney een nieuwe vertaling van het Hoofdkussenboek uitgegeven met een veel minder opdringerige ik-vorm dan Morris. Ook McKinney is een uitmuntende stiliste. (Ivan Morris is overleden in 1976.)
Reactie van Jos Vos, June 27, 2009 @ 12:51 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 1: De vertaler als zeurpiet | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:22 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 2: Lezerspost | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:30 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 3: De vertaalfout | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:34 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 4: Klaroenstoot | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:43 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 5: Vertalersliefde | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:47 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 6: Cultureel schaatsen | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:51 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 7: Het broeden | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 8:56 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 8: Procedures voor de introductie | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:04 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 17: Wandelen door Parijs | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:16 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 16: Objectiviteit | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:25 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 15: Bekkentrekkerij | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:28 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 14: I love translators! | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:42 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 13: Staartdekveren | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:47 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 12: (On)vertaalbaarheid | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:49 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 11: Het deadline-effect | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:54 pm
[...] Tiradeblog [...]
Pingback van Tirade 10: Berg en dal | Hofstede & de Haan, June 9, 2010 @ 9:59 pm


Vanaf 25 juni zijn Rokus Hofstede en Martin de Haan ‘Bloggers in Residence’ op Tirade.nu. Rond het thema vertalen, dat uitgebreid aan bod komt in Tirade 428 delen zij hun inzichten en trekken ze het een en ander in twijfel.
Reacties worden zeer op prijs gesteld.
Namnes de redactie van Tirade
Menno
Reactie van menno, June 25, 2009 @ 10:21 am