Michaël
De laatste keer dat ik hem zag was op 20 april in Brussel, tijdens een grote EU-conferentie over literair vertalen. Hij zat in de cirkelvormige opstelling recht tegenover me en maakte met zijn duim verwoede gebaren bij wijze van denkbeeldige sms’jes die hij me stuurde om het bedenkelijke niveau van de bijdragen aan de kaak te stellen. ‘Jammer dat ik je telefoonnummer niet had, Martin,’ zei hij in de pauze.
In diezelfde pauze pakten we de draad weer op van ons eeuwige gesprek, dat dit keer al een jaar of zes onderbroken was geweest: over de kwaliteit van vertalingen. Hij, de boekenvreter, was van mening dat er in Nederland bedroevend slecht wordt vertaald, slechter dan in de ons omringende grote landen en ook slechter dan voorheen; dat laatste kon hij volstrekt objectief vaststellen, want waar hij vroeger pas iets negatiefs over een vertaling zei als hij minstens tien grote fouten had aangetroffen, had hij die grens inmiddels moeten verleggen naar twintig – anders was er geen beginnen meer aan. En hij begon meteen maar aan een opsomming: ‘televisiefotograaf’ in plaats van ‘cameraman’, dat soort dingen.
Zelf beweerde hij ook te kunnen vertalen, en ik geloof hem, want stilistisch talent had hij absoluut. Wat ik niet geloof is dat hij Houellebecqs roman Platform ook met twee volledige banen ernaast nog wel in twee maanden had kunnen omzetten in het Nederlands, zoals hij me schreef nadat hij mij op televisie voor treuzelvertaler had uitgemaakt en ik daar met een vriendelijk doch kordaat briefje op had gereageerd (tijd = kwaliteit). Dat was trouwens ook meteen mijn kennismaking met de drammer, de narcist, de machtswellusteling die hij ook kon zijn, want in de volgende uitzending herinnerde hij de kijkers nog even fijntjes aan dat boek waarvan de vertaling zo lang op zich liet wachten. Niet leuk, en vooral: waarom?
Maar we schreven voor dezelfde krant, hij overigens wat meer dan ik, en ook na het Platform-incident bleven we bij onze schaarse ontmoetingen aangenaam keuvelen over de kwaliteit van vertalingen. Zijn stukken las ik vaak met plezier, vaak ook met ergernis over de grote woorden, de borstklopperij en het schoolmeesterachtige moralisme, maar altijd met verbazing over zoveel eruditie. En waarschijnlijk gold voor hem hetzelfde als wat Proust opmerkt over Sainte-Beuve; in de vertaling van Marjan Hof: ‘Je kunt zeggen dat hij bij de vervaardiging van de vuurpijlen die hij tien jaar lang elke maandag met weergaloze pracht afschoot, de stof van blijvender boeken gebruikte, die daarmee verloren ging.’ Zijn lang aangekondigde debuutroman De denksporter is definitief niet verschenen.
Het bericht van zijn dood kwam gisteren als een grote schok. Ik zal nog vaak aan hem terugdenken.
Martin de Haan
Voor wie het interesseert: de beruchte Baudelaire-recensie is hier te lezen. Hier een reactie van Marko Fondse. Dieptepunt van de recensie is overigens niet de ongezouten kritiek op Peter Verstegen, maar deze opmerking over de prachtige Baudelairevertaling van Bert Decorte: “Er bestond een eerdere vertaling, van vlak na de oorlog en vervaardigd door een Belg (met alle gevolgen van dien voor het taalgebruik).”
Reactie van Martin, July 29, 2009 @ 3:59 pm
Nondedorie! Niet alleen had Baudelaire een hekel aan de Belgen (cf. PAUVRE BELGIQUE etc.) maar nu moet zo’n Nederlandse criticus ook nog eens te keer gaan tegen Baudelaires Vlaamse vertaler!
“Where can we turn to???”
Reactie van Jos Vos, July 30, 2009 @ 10:29 am
Dat was in 1995, Jos. De recensent was toen halverwege de dertig, piepjong dus. Laten we het maar op jeugdige onstuimigheid houden.
Reactie van Martin, July 30, 2009 @ 11:13 am
[...] op de website van Tirade, 29 juli 2009, © Martin de [...]
Pingback van Tirade 26: Michaël | Martin de Haan, June 16, 2010 @ 7:59 pm


Je bent me voor, Martin. Alleen ben ik minder ‘literair’ dan jij, en zou er gewoon bij gezegd hebben dat je het over Michaël Zeeman hebt.
Reactie van Paul Beers, July 29, 2009 @ 12:18 pmEen heel grote schok, ja, dat bericht op het nieuws van 9 uur gistermorgen. Ik moest het meteen doormailen aan Robert Menasse, wiens boeken hij in superlatieven besprak, over wiens laatste boek, ‘Don Juan de la Mancha’, hij in Spui 25 met Menasse in gesprek ging, en met wie hij begin van dit jaar nog een groot interview voor de Volkskrant maakte.
Menasse antwoordde: ‘Ich bin fassungslos. Mir fehlen die Worte. Weisst Du genaueres?’
Ja, dat zijn ziekte zich uitgerekend In Wenen openbaarde, op 17 mei.
Maar nu: Zeeman en de vertalerij.
Daar zijn heel kribbige opmerkingen over te maken. Getuigen kan ik dat Zeeman bij de SLAA in A’dam inderdaad pochte dat hij Houellebecqs ‘Platform’ in twee maanden kon vertalen. Zelfs als het waar zou zijn – ‘wat niet’ -, dan had hij zoiets voor zich moeten houden. Laatst kon hij het ook weer niet laten de AP te kapittelen dat de vertaling van de laatste, vuistdikke Orhan Pamuk nog wel een jaar op zich liet wachten. En de eerste keer dat ik van hem schrok was toen hij Peter Verstegens vertaling van Baudelaire’s ‘Les Fleurs du Mal’ op een zeldzaam botte wijze afkraakte, zonder enig benul – leek wel – wat voor zó’n vertaling komt kijken.
Nu haast ik me. alvorens verder te gaan, te zeggen dat ik Zeeman ongelooflijk bewonderde, dat ik in die 20 jaar waarsch. nooit een stuk van hem heb overgeslagen, dat hij wel een boekenverslinder maar geen boekenwurm was, integendeel, charme uitstraalde, een polyglotte en erudiete gespreksleider was enz.
Maar ik zou doorgaan.
WANT: in de zeven jaar dat hij voor de TV ‘Zeeman met Boeken’ presenteerde (en ook daar keek ik altijd naar), heeft hij bij mijn weten nooit – en in elk geval zelden of nooit – enige aandacht besteed aan de vertaling. Terwijl hij als geen ander de kans had ook dat aspect onder de aandacht te brengen en daarmee de literaire vertalers meer prestige te bezorgen – hij had er geen enkel oog voor. Ook hij behoorde tot degenen – zie Martin hierboven – die alleen de tien, nu twintig flinke fouten opmerken en verder niets.
Het meest saillante voorbeeld: de herziene (!) vertaling door Gerard Rasch van Bruno Schulz’ ‘Verzameld Werk’ was verschenen, kreeg in alle kranten lovende kritieken en kwam nu bij ‘Zeeman met Boeken’ aan bod. Lof en glorie. Maar aan de vertaling van dit Poolse, dus alleen in vertaling te lezen meesterwerk, werd geen enkele aandacht besteed. Vervolgens krijgt Gerard Rasch met name voor deze vertaling de Nijhoffprijs, de gebruikelijke feestavond in – toen – de Amstelkerk volgt, en wie moet ook nu weer de gespreksleider zijn: jawel! Gênant. En niemand van de organisatoren die de idiote discrepantie hiervan inziet – want ook die weten van niets.
Toen ik Gerard Rasch na afloop hierop aansprak, zei hij: het ergste was nog dat ik toen bij die TV-opname op de eerste rij zat…
En weer haast ik me te zeggen dat dit misschien niet het meest kiese moment is om dit soort herinneringen op te halen. Twee dingen dan: Zeeman is voor mij een van de belangrijkste literaire figuren van de laatste 20 jaar geweest. En hij deed mij/ons eens temeer beseffen dat we maar heel gewone nijvere bijen zijn, die de honing in de eerste plaats voor onszelf maken omdat we wel ‘moeten’ (zie de ook al onvermoeibare Martin hieronder bij 27 ‘July’).